Cellen & Weefsels Theorie

Helpfulness: 0
Set Details Share
created 2 years ago by Ariamitsuki
11 views
Subjects:
biologie
show moreless
Page to share:
Embed this setcancel
COPY
code changes based on your size selection
Size:
X
Show:
1

afferent

sensorisch/waarnemend

2

cel

de kleinste structurele eenheid in het lichaam met alle basiseigenschappen van levende materie

3

efferent

motorisch/uitvoerend

4

homeostase

de relatief constante toestand die in het lichaam bewaard wordt

5

integrerend

opnemend (tussen afferent en efferent)

6

orgaan

organisatie van verschillende, gerangschikte weefseltypes die samen een specifieke functie uitoefenen

7

organel

verzameling van moleculen die georganiseerd zijn zodat ze een individuele functie kunnen uitoefenen

8

systeem

omvat wisselende aantallen en types van organen, georganiseerd om samen complexe functies waar te maken

9

weefsel

de organisatie van een groot aantal gelijkaardige cellen die gespecialiseerd zijn om bepaalde functies uit te oefenen

10

amfipatisch

half wateroplosbaar, half waterafstotend

11

celwand

dubbele fosfolipidenlaag, wateroplosbare (hydrofiele) fosfaatkop + waterafstotende (hydrofobe) vetzuurstaart

12

enzymen

katalyseren cellulaire scheikundige reacties

13

glycoproteïnen

celmerkers, membraanproteïnen met koolhydraatgroepen

14

integrale proteïnen

/intrinsieke-, vormen hecht geheel met membraan <-> extrinsieke/perifere-

15

membraanfusie

het versmelten van membranen

16

receptoren

membraanproteïnen, induceren veranderingen in celactiviteit door waarneming van geringe concentraties

17

transmembraaneiwit

integraal, overbruggen de volledige dikte van de membraan, kanaal of pomp

18

vriesbreektechniek

de bimoleculaire lipidenlaag wordt gespleten

19

adhaerens verbindingen

hechtingsverbindingen

20

endocytose

opnemen van grotere moleculen via vesikels

21

endolysosoom

endosoom versmelt met lysosoom

22

endosoom

cytoplasmatisch vesikel, omgevende membraan (ong. = plasmamembraan)

23

extracellulaire matrix

complex netwerk van gesecreteerde extracellulaire macromoleculen

24

fagocytose

opname van vaste substanties in vesikels (vorm endocytose)

25

gap junctions

/nexus, communicatieverbinding, opgebouwd uit connexons (transmembraanproteïnen die uit 6 subeenheden bestaan)

26

hemidesmosomen

(halve-), verbinden cellen en lamina basalis

27

intracellulaire hechtingsproteïnen

verbinden junctionele complex met cytoskelet

28

juncties

gespecialiseerde celverbindingen

29

macula adhaerens

/adhesieknop/(spot)desmosoom, verbinden plasmamembranen van buurcellen

30

metabolisch gekoppeld

stofwisseling, ionen en kleine wateroplosbare moleculen laten passeren

31

occludens verbindingen

/tight junctions/zonula occludens, afsluitende verbindingen

32

pinocytose

vorming van vesikels, gevuld met extracellulaire vloeistof met opgeloste moleculen (vorm endocytose)

33

pseudopodia

uitlopers van het cytoplasma

34

receptor-gemedieerde endocytose

selectieve stoffen (liganden) binden aan receptoren

35

transcytose

/diacytose, pinocytose waarbij inhoud onveranderd terug wordt uitgescheiden

36

transmembraneuze 'L' glycoprot.

intracellulair verbonden met hechtingsproteïnen en extracellulair met de matrix of met de (...) van buurcellen

37

vesikels

door membranen begrensde blaasjes

38

zonula adhaerens

/adhesiering/banddesmosoom, epitheelcel: continue band errond in apicale celgebied

39

ATP

adenosine trifosfaat, geproduceerd door mitochondrion

40

autofagie

verteren van eigen bestanddelen (bv. organellen)

41

autolyse

zelfafbraak, eigen cel verteren

42

chondrioom

het totale volume mitochondria in een cel

43

cristae mitochondriales

binnenste membraan mitochondrion, vertoont plooien

44

cytosolzijde RER

buitenste blad van RER waar de ribosomen zijn vastgehecht

45

dictyosoom

(Golgiapparaat), stapel van afgeplatte zakvormige structuurtjes (cisternen)

46

heterofagie

verteren van substanties, opgenomen uit de buitenwereld

47

intermembraanruimte

spleetvormige compartiment tussen membranen mitochondrion

48

krinofagie

verteren van overtollige opslagproducten (bv. secreetkorrels)

49

lyseren

hoofdbestanddelen van een cel afbreken (lysosoom)

50

matrix

korrelige inhoud mitochondrion, in binnenste deel

51

secretie

het uitscheiden van secreetinhoud van vesikels, buiten de cel

52

trans-Golgi-netwerk

netwerk van buis- en blaasvormige structuurtjes

53

axonema

9 paren microtubuli geschikt rond 2 centraal gelegen losse microtubuli (9x2 + 2), bij ciliën en flagellen

54

centriolen

korte cilindervormige structuren, opgebouwd uit microtubuli die tot tripletten verenigd zijn via andere eiwitten (9), tijdens celdeling spoelfiguur

55

ciliën

trilharen, beweeglijke membraanomgeven celuitsteeksels, axonema, aan de basis een MOC (basaal lichaampje, 9 tripletten)

56

cytoplasmastroming

bewegingen en verschuivingen binnen de cel, door microfilamenten

57

cytoskelet

ruimtelijk complex van langgerekte eiwitstructuren die de organellen insluiten, bestaat uit microtubuli en micro- en intermediaire filamenten

58

flagellen

zweepdraden, beweeglijke membraanomgeven celuitsteeksels, axonema, aan de basis een MOC (basaal lichaampje, 9 tripletten)

59

heterodimeren

bestaande uit twee verschillende subeenheden (α- en β-tubuline eiwitmoleculen)

60

intermediaire filamenten

niet door membranen afgelijnd, dikker dan microfilamenten, statische steungevende functie, steeds verschillende moleculaire opbouw

61

microfilamenten

niet door membranen afgelijnd, dunne proteïnestrengen, meestal opgebouwd uit subeenheden actine, dubbelstrengshelix

62

microtubuli

niet door membranen afgelijnd, buisvormige structuren, uit samengevoegde eenheden van heterodimeren van α- en β-tubuline eiwitmoleculen

63

proteasomen

niet door membranen afgelijnd, breekt andere eiwitten af, 4 ringen (elk 7 eiwitten, 2 binnen: 7 β-subunits -> 6 active sites, 2 buiten: 7 α-subunits)

64

ribosomen

niet door membranen afgelijnd, bestaat uit grote en kleine subeenheid (bestaat uit RNA), eiwitsynthese

65

anafase (mitose)

activatie separase -> cohesine gekliefd -> zusterchromatiden los van elkaar en elk naar 1 pool, polaire microtubuli verlengen

66

anafase 1 (meiose)

zusterchromatiden blijven verbonden ter hoogte van centromeer, chiasma lossen op -> splitsen in 2 chromosomen (haploïd aan elke pool)

67

celproliferatie

vermeerdering van cellen, door celdeling

68

centromeer

de plaats waar twee zusterchromatiden na verdubbeling tijdens de mitose en meiose aan elkaar blijven, uit lang stuk repetitief DNA

69

chromosoomcondensatie

samentrekking van het chromatine -> chromosomen worden zichtbaar

70

cytokinese

2de deel M-fase, eigenlijke scheiding cytoplasma, klievingsgroeve door vorming eiwitcomplexen, vorming midbody

71

diakinese

(profase 1), overgangsfase naar metafase 1, RNA-synthese stopt, chromosomen condenseren sterk en kort en dik

72

diploteen

(profase 1), diplonema, de-synapsis, homologe chromosomen gedeeltelijk van elkaar, chiasmata (plaatsen waar crossing-over zijn opgetreden)

73

DNA-polymerasen

vormen complementaire ketens

74

gameten

geslachtscellen

75

GAP 1-fase

G1-fase, alles wordt in gereedheid gebracht voor S-fase, alles buiten DNA verdubbelt, synthese van enzymen en proteïnen, bevat G0-fase

76

GAP 2-fase

G2-fase, controle en alles wordt in gereedheid gebracht voor eigenlijke celdeling, synthese en stapeling van RNA en proteïnen

77

genoom

één volledig stel chromosomen

78

helicase

splitst DNA dubbelhelix in 2 aparte strengen

79

interfase

deel van 2 perioden van celdelingscyclus, G1-fase S-fase en G2-fase, verdubbeling alle celmateriaal

80

intermitose

G0-fase, rustfase waarin zich cellen bevinden die tijdelijk gestopt zijn met delen

81

karyogram

chromosomenkaart, grafische weergave van karyotype

82

karyokinese

deel M-fase, herverdeling genetisch materiaal over de twee dochtercellen, profase -> prometafase -> metafase -> anafase -> telofase

83

karyotype

het karakteristieke en constante stel chromosomen van een soort

84

kinetochoor

structuur van eiwitten, ter hoogte van centromeer, na splitsing chromosoom

85

leptoteen

(profase 1), chromosomen beginnen te condenseren en winden rond proteïne-achtige as (later synaptonemaal complex)

86

M-fase

deel van 2 perioden van celdelingscyclus, karyokinese en cytokinese, verdeling alle bestanddelen

87

meiose 2

chromosoom- kern- en celdeling, verloopt geheel zoals mitose, equatiedeling

88

metafase (mitose)

chromosomen in evenaarsvlak doordat elk kinetochoor naar één celpool wordt getrokken

89

metafase 1 (meiose)

kernmembraan en nuceoli weg, spoelfiguren ontwikkelen, kinetochoortubuli van dezelfde celpool aan zusterchromatiden van 1 chromosoom

90

midbody

aanwezig aan het einde van de cytokinese, juist voordat de cellen volledig zijn gedeeld, cytoplasmabrug volgepropt met microtubuli

91

pachyteen

(profase 1), synapsis volledig, chromosomen korter en dikker, gepaarde chromosomen vormen tetrade (4 chromatiden), crossing-over

92

ploïde (graad: di-, ha-)

aantal genomen in 1 cel

93

profase (mitose)

kernmembraan verdwijnt langzaam, chromosomen condenseren (bestaande uit 2 chromatiden), kinetochoor ontwikkelt, spoelfiguur ontstaat

94

profase 1 (meiose)

diploïd -> haploïd, crossing over en verdeling homologe chromosomen mogelijk, leptoteen -> zygoteen -> pachyteen -> diploteen -> diakinese

95

prometafase (mitose)

kernmembraan is uiteengevallen, microtubuli van centrosomen verkennen cel met plus-uiteinden en stabiliseren bij contact met kinetochoor

96

S-fase

periode waarin DNA wordt verdubbeld (DNA replicatie/duplicatie), helicase splitst DNA, aparte ketens vormen templates voor complementaire

97

telofase (mitose)

chromosomen beide polen bereikt -> vloeien samen tot 1 massa en decondenseren in dochterkernen, nieuw kernomhulsel, spoelfiguren weg

98

telofase 1 (meiose)

kernmembraan begin zich soms terug vormen, hierna cytokinese

99

tetradenstadium

polyteen, gepaarde chromosomen vormen bivalent uit 4 chromatiden

100

zygoteen

(profase 1), chromosomen iets compacter, begint bij eerste contact (synapsis) tussen homologe chromosomen

101

Cdk1/cycB

Cdk/cyc complex, nodig om de mitose te reguleren, in late G2 en vroege M gebonden, fosforyleert condensines en laminines

102

Cdk2/cycA

Cdk/cyc complex, nodig tijdens S-fase

103

Cdk2/cycE

Cdk/cyc complex, nodig voor de overgang van de G1-fase naar de S-fase

104

Cdk4,6/cycD

Cdk/cyc complex, essentieel om voorbij het restrictiepunt te geraken, groeifactoren -> aanmaak cycD -> vorming complex, Retinoblastoma (Rb)

105

Cdks

cycline-afhankelijke kinasen, vormen complexen met hun cyclines

106

Cip/Kip familie

CKI familie, kunnen in verschillende fasen van de celcyclus effect hebben

107

CKIs

Cdk inhibitoren, 2 families (INK4 en Cip/Kip)

108

condensines

eiwitcomplexen die zorgen voor condensatie van de chromosomen

109

cyclines

regulerende eiwitten, worden tijdens de celcyclus gesynthetiseerd en gedegradeerd, vormen complexen met hun Cdk

110

G1/S checkpoint

stoppen van celcyclus wordt geïnduceerd door p53 (bij DNA beschadiging hoog)

111

inhibitor

verhindert de activiteit van een specifiek complex

112

INK4 familie

CKI familie, inactiveren G1 Cdks doordat ze stabiele complexen vormen met het Cdk enzyme voordat de cyclines kunnen binden

113

kinasen

enzymen die zorgen voor fosforylatie

114

laminines

zorgen voor de depolymerisatie van de kernmembraan

115

metafase/spindle checkpoint

detecteert of er een slechte allignatie is van de chromosomen ter hoogte van de mitotische spoelfiguur, doel: anafase verhinderen

116

MPF

maturation promoting factor, cytoplasmatische factor (Cdk1/cycB complex)

117

p53

stimuleert transcriptie van p21 (CKI, zorgt voor CDK inhibitie en celcyclus arrest) Mdm2 en Bax

118

restrictiepunt

nodig om de celcyclus te beginnen, Cdk4,6/cycD nodig, 'point of no return'

119

Retinoblastoma (Rb)

regulator van de celcyclus, bindt op transcriptiefactoren (bv E2F), bij fosforylatie: dissocieert van E2F -> transcriptie

120

apoptose (celdood)

krimpen van cellen, celmembraan blijft intact, celcontacten verbroken, cytoplasma condenseert en organellen opeen, geen ontstekingsproces

121

necrose (celdood)

zwelling cellen en organellen -> vernietiging van celorganellen -> verlies integriteit membraan, meestal aanleiding tot ontstekingsreactie

122

autofagie (celdood)

grote hoeveelheden eiwitten en volledige organellen afgebroken, overleving cel in stressvolle omgeving

123

caspase

cysteine protease activiteit en klievingsactiviteit na aspartinezuur, intracellulaire enzymen gesynthetiseerd als inactieve zymogenen

124

zymogenen

proenzymen; bestaan uit N-terminaal domein, grote subunit en kleinere C-terminale subunit

125

extrinieke apoptose

apoptose geïnduceerd door extracellulaire stresssignaalmoleculen

126

DISC

death inducing signalling complex', eiwitten die gerecruteerd worden naar intracellulair dood-domein