KGW UU - Methodologie kwalitatief onderzoek Masterjaar 1 Flashcards


Set Details Share
created 2 years ago by Niek_Vink
24 views
Definities cursus kwalitatief onderzoek klinische gezondheidswetenschappen
updated 2 years ago by Niek_Vink
show moreless
Page to share:
Embed this setcancel
COPY
code changes based on your size selection
Size:
X
Show:
1

Wat betekent 'grounded' in de term grounded theory?

Gegrond. De theorie die je hiermee ontwikkelt is gegrond in de data.

2

Is grounded theory meer gericht op verklaren of op beschrijven?

Verklaren, je bouwt een theorie met je onderzoek.

3

Wat houdt het 'core concept' in en bij welke stroming hoort dit?

Grounded theory werkt naar een core concept met daaromheen categorieen die gerelateerd zijn aan het kerbegrip. Vrijwel altijd werkt grounded theory met zo'n kernbegrip, hoewel er ook publicaties bestaan die dit niet doen.

4

Wat is het hoofddoel van Grounded THeory?

Hoofddoel van GT is om SYSTEMATISCH data te verzamelen en theorieen te ontwikkelen en uiteindelijk het liefst grafisch weer te geven met duidelijke relaties tussen begrippen. Bestaande theorieen kunnen ook door de GT methode worden aangepast of ‘verlengd’. De onderzoeker moet openstaan voor alternatieve perspectieven en zich niet teveel laten leiden door reeds ontwikkelde theoretische frameworks.

5

Wat houdt de constant comparison in? En bij welke methode wordt dit gehanteerd?

Grounded THeory (GT). Om tot variatie in en verdieping van concepten en categorieën te komen wordt de methode van constante vergelijking gehanteerd. Er vindt voortdurend vergelijking plaats: van het eerste tekstfragment met het volgende, van de eerste dataset met de tweede, van ontdekte concepten in de data, van categorieën en hun relatie ten opzichte van elkaar. Dit is een iteratief proces.

6

Wat houdt theoretical sampling in en bij welke methode wordt dit gehanteerd?

Via ‘theoretical sampling’ werkt de onderzoeker aan een zich ontwikkelende theorie. Theoretical sampling betekent dat de onderzoeker op zoek gaat naar situaties of personen die meer, andere of specifieke informatie kunnen geven over de ontdekte concepten of categorieën. De dataverzameling, -analyse en reflectie zijn gericht op het geven van inhoud en diepgang aan het concept of de categorie en daarmee ook op de zich ontwikkelende theorie over een bepaald verschijnsel.

7

Wat is de rol van het maken van memo's (GT)?

De reflecties tijdens het proces van dataverzameling en -analyse worden weergegeven in memo’s: aantekeningen van de onderzoeker. Deze memo’s documenteren het gedachteproces van de onderzoeker tijdens het onderzoek en geven inzicht in de besluitvorming die leidt tot het ontwikkelen van een theorie.

8

Je kunt je studie beginnen met purposeful sampling maar later switchen naar theoretical sampling. In sommige gevallen kun je meteen beginnen met theoretical sampling. Licht toe.

Je begint je studie met purposeful sampling, je hebt immers nog geen theorie. Je wilt respondenten waarvan je verwacht dat die relevante informatie gaan geven en je kiest bijvoorbeeld een leeftijd van respondenten tussen de 25 en 40 jaar oud. Echter, gedurende de studie merk je wellicht dat oudere respondenten andere antwoorden geven dan de jongere, mogelijk zijn de belevingen van de oudere respondenten anders en geven die relevante informatie over de zich ontwikkelende theorie. In dat geval besluit je om expliciet meer oudere mensen te includeren en dus ook > 40jaar oud. Dan noem je het theoretische sampling, hoewel het eigenlijk gewoon een andere vorm van purposive sampling is.

Soms start een onderzoek op basis van een reeds bestaande theorie, dan begin je wel met theoretical sampling.

9

Wat is criterion sampling

Is een vorm van purposeful sampling, alleen stel je strengere criteria waaraan een subject absoluut moet voldoen.

10

Purposive sampling

Je wilt rijke data en het liefst ook zo gevarieerd mogelijk. Doelgerichte sample, je includeert die patiënten die voldoen aan specifieke criteria. Als deze heel strikt zijn dan heet het ook wel purposive criterion sampling.
Hierbij is wel maximale variatie van belang, het onderwerp moet vanuit veel kanten belicht worden. Er moet voldoende variatie in je sample zitten qua leeftijd, soort setting (niet alleen UMC maar ook andere ziekenhuizen), verschillende behandelaars, mannen en vrouwen, etc.

11

Waar moet een kwalitatieve onderzoeksvraag aan voldoen?

Moet bevatten: domein/setting, determinanten, variabelen en uitkomsten.
In je vraag moet dus duidelijk staan: WIE (populatie), WAT (determinanten en variabelen), WAAR (domein/setting).

Volgt uit: gap of knowledge en NEED for the study (science in transition)

12

Wat is theoretical sampling?

Op basis van ‘emerging concepts’ wordt langzaam de theorie gevormd. Er wordt op basis van nieuwe informatie bepaald hoe verdere data verzameling plaats moet gaan vinden. Dit plan staat van tevoren niet vast zoals bij andere kwalitatieve methoden wel gebeurt. De selectie van participanten, evenementen of documenten is een functie van de zich ontwikkelende theorie. Dit proces loopt door tot aan de data-saturatie. Data saturatie is bereikt wanneer er geen nieuwe emerging topics, categories of theories meer opduiken.

13

Welke drie stadia van coding heb je bij GT en beschrijf ze.

• Open coding = Inductief :
line
by line or paragraphs
- Lijst relevante codes m.b.t. onderzoeksvraag
- Eerste categorieën (reductie); conceptuele eenheden
• Axial coding = Coding up
verbanden/overeenkomsten/hiërarchie tussen categorieën/hogere abstractie
- Lijst Categorieën die inhoudelijk worden beschreven
- Centrale fenomeen
• Selective coding = Relaties vaststellen tussen categorieën deductief proces, hypothesen formuleren
- Categorieën ordenen tot een verklarend model (proces)/theorie

14

Theoretisch denken: fieldnotes en memo's

Tijdens een interview kan er een gedachte opkomen bij de onderzoeker, een inzicht of het idee dat wat de respondent zegt heel belangrijk is. Je dient hier direct tijdens of direct na het interview memo’s van te maken. Is dus een memo van een gedachtegang die je op dat moment had. Kan ook een beschrijving zijn van de omgeving of setting bijvoorbeeld. In het begin zijn de memo’s heel simpel, maar als je verder in het onderzoek bent zullen je memo’s meer complex worden omdat je he midden in de zich ontwikkelende theorie bevindt.

15

Wat is constant comparison?

Iedere sectie van de data wordt gespiegeld met alle andere data en je zoekt naar patronen zoals overeenkomsten, verschillen en verbindingen. De reeds bestaande thema’s uit de literatuur dienen hierin wel te worden meegenomen. Data wordt hierbij gecodeerd en gecategoriseerd waardoor je beter patronen kunt gaan herkennen. Deze worden dan in major themes en subthemes geordend.

In het proces begin je vaak heel open en inductief, maar als categorieen zich beginnen te vormen zul je steeds meer deductief gaan werken. Zo kun je merken dat je minder vragen in de interviewguide krijgt omdat alleen die vragen de echte kern van het thema raken.

16

Beschrijf wat een core category is binnen de GT methode.

Bij GT moet je een core categoy vinden. Bij uitzondering mogen het er ook twee zijn. Deze categorie is verbonden met alle andere categorieen. Het linken van alle categorieen rondom 1 core concept / category noem je selective coding. Glaser en Strauss noemen het BSP.

17

Wat betekent bracketing?

Bracketing is specifiek voor fenomonolgie, je moet je vooroordelen losweken voordat je interpreteties gaat doen, je zet je eigen gedachten ‘tussen haakjes’. Dit doet recht aan de ervaring van de respondenten.

18

Op welke niveau's kun je aan data triangulatie doen?

Data-verzameling:
Door verschillende interviewers interviews laten doen kan het verrijkend werken. Voorbeeld; Ene interviewer voelt schroom vragen te stellen over HIV en een andere wel.
Data-analyse:
Oztriangulatie kan ook in de beoordeling van de interviews zitten. Met meerdere onderzoekers de data vanaf verschillende invalshoeken bekijken.

19

Benoem de verschillen in doelen van etnografie, fenomenologie en grounded theory.

Etnografie:
identificeren en verklaren van groep mensen met een gedeelde cultuur.
Rijke beschrijving van cultuur en gedragspatronen.
Kan tot theorievorming leiden.
Fenomenologie:
Onderzoekt de betekenis van menselijke ervaringen in een 'fenomeen'.
Zeer uitgebreiden beschrijving van deze betekenis.
Grounded theory:
Identificeren en verklaren van sociale processen.
Theorie ontwikkeling.

20

Benoem de verschillen in data-analyse tussen etnografie, fenomenologie en grounded theory.

Etnografie:
Heel wisselend, kan ook GT elementen bevatten.
Genereren van taxonomieen om structuren in een cultuur mee te beschrijven.
Fenomenologie:
Veel herlezen van transcripts, op zoek gaan naar diepere betekenis van zaken (opstellen 'meaning units').
Grounded theory:
Open - axiaal - selective coding.

21

Wat wordt bedoeld met essence binnen de fenomenologie?

Ook wel 'verstehen' genoemd.

Je bent op zoek naar de UNIVERSAL ESSENCE van deze ervaringen. Je combineert dus diverse (en soms ver uit elkaar liggende) ervaringen van verschillende mensen en je reduceert dat tot een beschrijving van één universele essentie. Als onderzoeker wil je ‘verstehen’, begrijpen wat het perspectief is van de ander.

Het is NIET de evaluatie van een therapeutische interventie zo van “hoe heb je dat ervaren”, maar het gaat een laag dieper, naar de echte essentie van een beleving, een echte lived experience.
Je gaat NIET verklaren, je gaat op zoek naar het unieke van een ervaring. Voorbeeld: ervaring van n=1 nurse die op de IC terecht komt.

22

Beschrijf hoe de data-analyse er uit ziet bij een fenomenologie.

selectie van betekenisvolle eenheden: significant statements

Samenvoegen tot betekenisvolle eenheden: meaningful units

Beschrijven van ervaringen en de context.

23

Benoem vijf items waarop je kunt letten bij de beoordeling van de kwaliteit van een fenomenologie studie.

Items die hier belangrijk zijn:
1. Ervaren interviewer of eerst een goede training alvorens te starten met de studie.
2. Member check
3. Onderzoekersrol toelichten
4. Bracketing vormgeven (syn. epoche)
5. Gedetailleerde beschrijving

24

Wat houdt going native in bij etnografie?

: onderzoeker hanteert onvoldoende afstand tot de
praktijk/het onderzochte

25

Bij welke methodologie hoort thick description? En wat houdt het in?

Uitgebreide beschrijving waarbij veel details worden beschreven en zet culturele en sociale verhoudingen in context.
Wikipedia:
Een dichte beschrijving is het resultaat van een wetenschappelijke observatie van menselijk gedrag die niet alleen het gedrag beschrijft, maar ook de context. Hierdoor kan het gedrag beter begrepen worden door buitenstaanders. In een dichte beschrijving wordt doorgaans een aantal subjectieve verklaringen en betekenissen toegevoegd door de mensen die deelnemen aan de betreffende gedragingen, waardoor de verzamelde gegevens waardevoller worden voor onderzoek door sociale wetenschappers.

26

Beschrijf de wijze van data analyse binnen etnografisch onderzoek.

Zowel beschrijvend als interpretatief
Beschrijven van setting, spelers, gebeurtenissen, situatieschets.

Interviews: geheel, coderen/labellen

Field notes/diary

Zoeken naar thema’s, patronen

Interpretatie: hoe werkt cultuur

Daarna bevindingen staven met de reeds bestaande literatuur.
De stappen in de analyse zijn niet heel lineair, er bestaat veel overlap.
Je vindt wellicht ‘typologieen’, verschillende soorten healthcare workers zoals een ‘dependant’ nurse, een ‘independent nurse’ en een controlling nurse, dus drie ‘types’. Voor patiënten kun je zeggen passive of active patients.

27

Welke items zijn van belang bij de data verzameling binnen de etnografie?

Observaties, formele en informele interviews. Maar ook: weergave eigen gedrag en gevoel van onderzoeker (etic), dagboeken, brieven, blogs, etc.
Onderzoeker moet onderdeel worden van de cultuur en daarmee ook via informele wegen data kunnen verzamelen.
Het is niet een kwestie van alleen alles opschrijven wat je ziet en hoort, de onderzoeker zal de data moeten herschikken in meer abstracte en theoretische concepten.
je gaat op zoek naar verschillen in wat de participanten zeggen en wat ze doen (words and deeds).
Informele interviews leveren over het algemeen rijkere data op.

28

Beschrijf het verschil tussen het Emic en Etic perspective.

Emic: insiders’ or natives’ perception (learning, naive) --> je rapporteert informatie vanuit het perspectief van de participanten.

Etic: the distanced ideas of the ethnographers themselves, their abstract and theoretical view --> je rapporteert informatie vanuit persoonlijk perspectief.

Tijdens het onderzoek switch je tussen je etic en emic perceptie (iteration) en bouw je steeds verdeer op eerdere ‘building blocks’.

29

Wat zijn gatekeepers?

Gatekeepers are individuals, groups, or organisations who have control or influence over a researcher’s access to participants. In order to conduct ethnographic research, ethnographers are required to negotiate with one or many gatekeepers to secure the permissions required before contact with participants can commence. Gatekeepers are often key decision makers in a community (e.g., a priest in a church), people with responsibilities for services or personnel (e.g., a headmistress of a primary school or the therapy lead of a physiotherapy department), or organisations (e.g., health service research governance departments). Researchers are morally and ethically obliged to gain permissions from appropriate gatekeepers before conducting research in any given institution.

30

Wat is een key informant?

Key informants are those whose social positions in a research setting give them specialist knowledge about other people, processes or happenings that is more extensive, detailed or privileged than ordinary people, and who are therefore particularly valuable sources of information to a researcher, not least in the early stages of a project. Key informants become active collaborators in the research.

31

Welke voor- en nadelen zitten er aan het werken met een key informant?

Voordeel:
Je key informant kan ook een member check voor je doen.
Nadeel:
Gevaar is dat de key informant zijn of haar ideeen en visies in jouw hoofd stopt als onderzoeker. Hiermee kan de visie van een key informant jouw visie worden. Het is daarom belangrijk als onderzoeker om hetgeen wat door de informant gezegd wordt te checken met de geobserveerde realiteit.
In health care is er nog een gevaar dat een key informant alleen vertelt wat de onderzoeker wil horen, door angst voor repressailles van bovenaf in de hierarchie. Hopelijk is de ‘prolonged engagement’ die je hebt met je informant voldoende om deze barriere neer te halen.

32

Welke drie fases van Field Work zijn er binnen de etnografie?

Je moet als onderzoeker present zijn op de locatie. Je moet er veel tijd spenderen zodat mensen ook meer open worden in wat ze je vertellen.

1. Je begint met exploratief werk. Je gaat kijken of je al wat patronen kunt waarnemen. Je schrijft je eerste observaties op.
2. Je begint te focussen op specifieke zaken. Je bevraagt de informants over je initiele observaties. Interviews volgen dus op observaties.

3. Als je saturatie hebt bereikt dan begin je je terug te trekken.

33

Wat zijn mogelijke beperkingen binnen etnografisch onderzoek?

1. Het is lastig om als outsider onderdeel te worden van een afdeling.
2. Gatekeeper kan je toegang ontzeggen tot dingen die je wel wilt onderzoeken
3. Going native: je houdt onvoldoende afstand als onderzoeker (je doet geen goede bracketing)
4. Gevaar van inbreuk op privacy van deelnemers
5. Anonimiteit wordt onvoldoende gewaarborgd, data is herleidbaar naar individu.
6. Onduidelijk van tevoren naar participanten dat je bijvoorbeeld sexualiteit gaat bespreken. Als je dat dan ineens infietst dan kan dat het proces verstoren (en wellicht niet ethisch?)